• Naar Holland, 1952-1956
    Repatriëring, migratie of vlucht

Nieuwe tentoonstelling: Naar Holland.
Repatriëring, migratie of vlucht?

De tentoonstelling Naar Holland gaat over de repatriëring van Indo- Europeanen (Indo’s) in de periode 1952–1956. De expositie richt zich op de vraag waarom deze Nederlanders naar Nederland vertrokken. Waren zij repatrianten, migranten of vluchtelingen? Naar Holland is een onthutsend relaas van de bijna onmogelijke positie waarin Indo-Europeanen verkeerden: zowel in Indonesië als in Nederland ongewenst.

Expositie Naar Holland over repatriering van Indische Nederlanders, te zien op de TTfaIn 2017 was Naar Holland in een kleine opstelling te zien op de Tong Tong Fair. De tentoonstelling bracht zoveel publieksreacties teweeg dat het onderwerp nu verder is uitgewerkt. Dit keer staat de periode 1952–1956 centraal, een periode waarin met name Nederlanders met een Indo-Europese achtergrond naar Nederland kwamen. “We weten heel weinig over deze periode”, vertelt sociaaleconomisch historisch onderzoeker dr. Margaret Leidelmeijer, samensteller van de tentoonstelling. “Ook Indo’s zelf weten weinig van deze geschiedenis. Men heeft een vaag idee, dat wel wordt verwoord als ‘in Nederland door omstandigheden’. Maar wat waren die omstandigheden dan precies?”

Oosters georiënteerde Indische Nederlanders

De repatriëring geschiedde in fases. Tot 1952 repatrieerden hoofdzakelijk de ‘westers georiënteerde Indische Nederlanders’, zij die recht hadden op verlof of kapitaalkrachtig genoeg waren om de overtocht naar Nederland te betalen. De bestaande geschiedschrijving gaat vooral over de periode 1946–1952. In de periode 1952–1956 repatrieerden vooral Indo-Europeanen, door de politiek ook wel aangeduid als ‘oosters georiënteerde Indische Nederlanders’. Het onderscheid tussen ‘westers en oosters georiënteerde Indische Nederlanders’ dook voor het eerst op in een rapport uit 1951 van P.H.M. Werner, secretaris-generaal van het ministerie van Maatschappelijk Werk. De westerse groep bestond vooral uit totoks, het meest blanke deel van de koloniale samenleving. De oosterse groep bestond uit (bruine) Indo-Europeanen, die niet zouden kunnen integreren in de Nederlandse samenleving, zo meende Werner. Het regeringsbeleid bestond er uit de Indo-Europeanen aan te sporen in Indonesië te blijven.

Optie­periode 1949-­1952

Nederlanders kregen twee jaar het recht om voor het Indonesische staatsburgerschap te opteren. Tijdens die ‘optieperiode’ van eind 1949 tot 1951 moesten ze beslissen wat te doen. De meeste Indo’s wilden blijven maar met behoud van hun Nederlandse nationaliteit en hun eigen taal en cultuur. De enige optie die zij echter kregen, was assimilatie. Margaret: “Indonesië zat midden in het proces van nation building en daar hoorden Indo’s niet bij. Ze verloren hun bevoorrechte positie. Pas in de laatste fase van de optie- periode koos men. Het was heel emotioneel om het moederland te moeten verlaten. Je moet niet vergeten: Indo’s zijn echt een ‘product’ van de kolonie. Zonder de kolonie zouden er geen Indo’s zijn geweest.”

Paspoort en rijksvoorschot

Na afloop van de optieperiode in 1952, woonden nog 136.000 Indische Nederlanders in Indonesië, zowel totoks als Indo-Europeanen. Wie kon, koos voor Nederland, vanwege de veiligheid en de goede scholen. Om naar Nederland te kunnen gaan, had men een paspoort nodig. Alleen wie kon aantonen al vóór 1892 door geboorte Nederlander te zijn, kreeg een paspoort. Aan deze voor- waarde hield Nederland zich strikt. De meeste Indo’s konden echter niet aan die voorwaarde voldoen.
Het rijksvoorschot dat de regering ter beschikking stelde voor de overtocht, was alleen verkrijgbaar wanneer men een Nederlands paspoort had, een baan kon krijgen in Nederland en over huisvesting in Nederland beschikte. Dat waren voor menigeen onhaalbare eisen. Indo-Europeanen hadden vaak geen naaste familie in Nederland en beschikten evenmin over een netwerk dat tot een baan zou leiden.

Blijf maar daar

Nederland zag de Indo-Europeanen liever niet dan wel komen, gebaseerd op de ervaring van een kleine groep ‘oosters georiënteerde Indische Nederlanders’ die direct na de oorlog naar Nederland was gekomen en niet had kunnen aarden. Die ervaring werd later tegen de hele groep gebruikt om te zeggen: ‘Blijf maar daar’. Nederland had ook praktische motieven voor zijn houding. De schatkist was leeg en er was nauwelijks woonruimte. Ook moest het kabinet omgaan met gevoelens die leefden in de samenleving. De publieke opinie was niet ten faveure van de Indo’s. Den Haag leek wel een ‘Aziatische stad’, de marine een ‘vreemdelingenlegioen’. Ook het huisvestingsbeleid lag onder vuur: ‘Waarom krijgen zij wel een huis en wij niet?’

‘Waarom krijgen zij wel een huis en wij niet?’

Naar Holland

De relatie tussen Nederland en Indonesië verslechterde en nationalistische ressentimenten in Indonesië namen toe. Er werd een hetze gevoerd tegen Nederlanders, bij wie de verschrikkingen van de bersiap nog vers in het geheugen stonden. Vakbonden keerden zich tegen hen, werken werd onmogelijk. Aanvankelijk hield Nederland zich strikt aan de voorwaarden die golden voor het verkrijgen van een rijksvoorschot. Toen echter door- drong hoe onleefbaar de situatie van Indo-Europeanen in Indonesië was, versoepelde Nederland de regels uit humanitaire overwegingen. Uiteindelijk verlieten de meeste Indo-Europeanen Indonesië.

Ze zijn minder

Over de manier waarop Indo’s in contractpensions werden opgevangen, aardappels leerden schillen, hun kleedgeld moesten terugbetalen tot de laatste cent: er zijn boeken over vol geschreven, documentaires over gemaakt. Waarom is er dan toch zo weinig bekend over de gebeurtenissen de leidden tot de repatriëring van Indo’s naar Nederland? Margaret wijst erop dat het dominante verhaal in de geschiedschrijving de interneringskampen en het KNIL betreft. “Het is niet ongebruikelijk dat de aandacht eerst uitgaat naar de witte geschiedenis. Stapsgewijs wordt de focus verlegd. Dit is een geschiedenis van uitsluiting. Er is vooral óver Indo’s gesproken, daarin zit iets van: ‘ze zijn minder’. Als je je hier niet bewust van bent, haal je dat er niet uit.”

Geschiedenis dekoloniseren

Margaret spreekt van de noodzaak de geschiedenis te ‘dekoloniseren’. “Dat doen we met deze tentoonstelling. We concentreren ons op de periode 1952–1956 en leggen de bezoekers de vraag voor of de komst van Indo’s naar Nederland nou een migratie, repatriëring of vlucht was. Ik vind dit een belangrijke geschiedenis, ook om door te geven. Want als je je eigen geschiedenis niet kent, wat moet je dan doorgeven? Een paar onderbuikgevoelens?”

De tentoonstelling is te zien tijdens de 60e Tong Tong Fair. Op do 24 mei interviewt de samensteller van de tentoonstelling, Margaret Leidelmeijer, enkele betrokkenen.

Auteur Marion Bloem geeft in een gesproken column haar visie op deze geschiedenis. Donderdag 31 mei

Naar Holland. Repatriëring, migratie of vlucht? is een productie van Stichting Tong Tong , mede mogelijk gemaakt door het Prins Bernhard Cultuurfonds (Engelbert van Bevervoorde-van Heyst Fonds) en het dr. Hendrik Mullerfonds.

“Men heeft een vaag idee, dat wel wordt verwoord als ‘in Nederland door omstandigheden’. Maar wat waren die omstandigheden dan precies?”

Koop kaarten in de ticketshop van de Tong Tong Fair