Doerian, een lekkere stinkerd

Wat de een een stinkend gedrocht noemt, is voor de ander een tongstrelende delicatesse.

Wie wel eens in Azië is geweest, kent het verbodsbord: een stekelige vrucht met een rood kruis er door heen. In veel hotels, vooral die waar westerse toeristen komen, is de doerian een verboden vrucht. Hij lijkt een beetje op een stekelige rugbybal. En, toegegeven, misschien stinkt hij ook wel een beetje. Maar zijn smaak is verrukkelijk. “Goddelijk”, is misschien teveel gezegd, maar doerian smaakt in ieder geval niet van deze wereld!

Op de Tong Tong Fair is de doerian een graag geziene gast: hij wordt speciaal voor ons evenement geïmporteerd. U ruikt hem al bij binnenkomst: puntig, groen, een beetje zeurderig, plagerig.

Voor beginners is er het doerian-ijs, onweerstaanbaar lekker, gemaakt met kokosmelk en daarom extra romig en tropisch.

De beroemde Britse natuuronderzoeker Alfred Russel Wallace (1823-1913) beschreef niet alleen zoogdieren en vogels. Ook tropisch fruit proefde hij met grote precisie. De sensatie die het eten van een doerian hem gaf, voor velen een stinkerd, was hem de lange reis naar de Oost helemaal waard geweest.

Ode aan de doerian

“The Durian grows on a large and lofty forest-tree, something resembling an Elm in character, but with a more smooth and scaly bark. The fruit is round or slightly oval, about the size of a small melon, of a green colour, and covered with strong spines, the bases of which touch each other, and are consequently somewhat hexagonal, while the points are very strong and sharp. It is so completely armed that if the stalk is broken off it is a difficult matter to lift one from the ground. The outer rind is so thick and tough that from whatever height it may fall it is never broken. From the base to the apex five very faint lines may be traced, over which the spines somewhat curve and approximate; these are the sutures of the carpels, and show where the fruit may be opened with a heavy knife and a strong hand. The five cells are silky-white within, and are filled with a mass of firm, cream-coloured pulp, containing about three seeds each. This pulp is the eatable part, and its consistence and flavour are indescribable. A rich custard highly flavoured with almonds gives the best general idea of it, but there are occasional wafts of flavour that call to mind cream-cheese, onion-sauce, sherry-wine, and other incongruous dishes. Then there is a rich glutinous smoothness in the pulp which nothing else possesses, but which adds to its delicacy. It is neither acid nor sweet nor juicy; yet it wants neither of these qualities, for it is in itself perfect. It produces no nausea or other bad effect, and the more you eat of it the less you feel inclined to stop. In fact, to eat Durians is a new sensation worth a voyage to the East to experience. . . . as producing a food of the most exquisite flavour it is unsurpassed. If I had to fix on two only as representing . . . perfection . . . I should certainly choose the Durian and the Orange as the king and queen of fruits.”
Uit: On the Bamboo and Durian of Borneo uit Hooker’s Journal of Botany 8, p228-229. (1856)